|
|
|
|
| 20 februari 2011 - zevende zondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Leviticus
19,1-2.17-18
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Johannes Paulus II was de absolute recordhouder inzake zalig- heiligverklaringen. Men heeft uitgerekend dat hij er meer op zijn naam heeft dan al zijn voorgangers samen. Een inflatie van het begrip 'heiligheid' heeft men gezegd. Tenzij we heiligheid anders verstaan dan we gewend zijn. In de Bijbel is heiligheid een kwaliteit die levende mensen, alle godsdienstige en in het evangelie alle christelijk levende mensen, moeten bezitten. In de eerste tijden van het christendom was het gebruikelijk dat christenen gewoon heiligen werden genoemd. Ik neem een willekeurig voorbeeld: het adres van de brief aan de gemeente van Kolosse. Daar leest men: Paulus, apostel van Jezus Christus, aan de heilige en gelovige broeders (en zusters) in Christus te Kolosse. Dit betekent dus zoveel als: Paulus, aan jullie allemaal. De eerste lezing van deze zondag is een stukje uit de befaamde heiligheidswet van het boek Leviticus. Het gehele volk, iedereen die tot het Joodse volk behoort, wordt opgeroepen om heilig te zijn. Waarom is dat nodig? Om de eenvoudige reden dat God heilig is. Volgens het scheppingsverhaal is de mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Als God naar mensen kijkt, moet hij zijn eigen beeld kunnen zien. Mensen moeten een beeld van God kunnen zien als ze naar elkaar kijken. In mensen die zich heilig gedragen wordt zichtbaar gemaakt hoe God heilig is. Wie en wat God is, tonen mensen aan elkaar als ze de bepalingen van Gods wet in ere houden. Voor Jezus volstond het niet de overgeleverde wetten na te leven. Ze moeten niet en nergens veranderd worden, maar 'vervuld'. Als je dan leest wat je moet doen om de wetten te vervullen, rijzen je haren ten berge.
Er is ons geleerd dat we onze naasten moeten
liefhebben. Dat volstaat niet, verklaarde Jezus. 'Ik zeg jullie: heb je
vijanden lief, bid voor wie jullie vervolgen.' 'Heb je naaste lief als jezelf', schrijft de heiligheidswet voor (Leviticus 19,18). Dit staat bekend als de gulden regel: de wet van de gelijkheid en de wederkerigheid. Doe aan een ander niet wat je niet wilt dat hij jou aandoet. Bejegen je medemens zoals je verlangt dat hij jou bejegent. Het Matteüsevangelie (7,12) noemt dit het hart van de wet. Maar wil je de wet vervullen zoals Jezus vroeg, dan moet je de wederkerigheid doorbreken. Je moet eenzijdig durven zijn. Paulus schreef het aan de Romeinen (12,17). Vergeld het kwaad niet met kwaad, bestrijd het door goed te doen. Als je geslagen wordt, heb je het recht even hard terug te slaan, maar dat doe je niet. Je reageert niet boos op je vijand, je toont dat je hem liefhebt en zonder je te verweren laat je hem je nog eens slaan. De eisen van het evangelie klinken ongelooflijk, ja onmogelijk veeleisend. Zo veeleisend, zo onmogelijk, dat veel mensen geneigd zijn te reageren: nee, daar is geen beginnen aan! Is daar wel een beginnen aan, als Jezus zegt: "wees volmaakt zoals jullie Vader in de hemel volmaakt is"? We leven niet in de hemel maar op aarde en de volmaaktheid is niet van deze wereld. Christenen moeten geen helden zijn. Heldhaftige heiligheid is enkel weggelegd voor zeer uitzonderlijke heiligen. Christenen kunnen niet volmaakt zijn ('onverdeeld goed', aldus de Willibrordbijbel) zoals God volmaakt is, onverdeeld goed, want ze zijn maar mensen, met alle goede en kwade kanten die mensen eigen zijn. Ze zullen de volmaaktheid niet bereiken zolang ze leven. Ze zijn altijd onderweg. Ze moeten wel hun best doen om op hun menselijke, en dat is altijd onvolkomen wijze aan medemensen tonen wat Gods volmaaktheid voor hen kan betekenen. We mogen niet ophouden erom te bidden dat we altijd blijven proberen voor medemensen zo goed als God te zijn. Dat we nooit opgeven hun te tonen, hoe gebrekkig ook, hoe God heilig en onverdeeld goed is. B.J. De Clercq o.p. |