|
|
|
|
| 22 mei 2011 - vijfde paaszondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen: 1
Petrus 2,4-9
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Crisis dus. Op het ogenblik dat de emoties hoog oplaaien probeert Jezus hen te kalmeren: ‘Jullie moeten je niet zo laten verontrusten’. Waar crisis heerst, is herstel van de rust een eerste vereiste. Op basis daarvan kan vertrouwen weer worden opgebouwd: "Geloof in mij. En blijf ook in God geloven. Want God is anders dan jullie denken. Als je denkt dat er voor jullie geen plaats is in zijn Rijk, dan hebben jullie het mis. Er is plaats genoeg: in het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Maar ik moet weggaan. En ginds ga ik een plaats voor jullie gereed maken. En dan kom ik terug en dan neem ik jullie bij me op. En waar ik heenga - de weg daarheen is jullie bekend." Dwaas zitten elf paar ogen hem aan te staren. En dan klinken twee vragen waaruit blijkt dat ze er geen bal van begrepen hebben: "We weten niet eens waar U heen gaat... hoe zou de weg ons dan bekend kunnen zijn?" en "Over wie hebt U het eigenlijk? Laat ons die Vader eens zien." Maar aan die domme vragen hebben we wel enkele van Jezus' meest bekende aforismen te danken: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’, en ook ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’ Eenvoudige woorden die de kern, het hart van het christen-zijn verwoorden. Wie de Vader wil zien, wie God wil ontmoeten, moet Hem niet gaan zoeken in den hoge, hij zal Hem niet vinden buiten de aardse werkelijkheid. Jezus verwijst naar zichzelf, niet naar iemand met goddelijke allures, maar naar een mens van vlees en bloed die op dat moment niets anders te bieden heeft dan een mislukt leven dat weldra een misdadigersdood gaat sterven. Naar zo'n mens wijst Jezus als de leerlingen hem vragen die God eens te laten zien. Geloven in een God die zich via mensen laat kennen, is niet zo eenvoudig. Mensen ergeren zich voortdurend aan elkaar. Als je moet geloven dat de weg naar God via mensen gaat, dan staat dit geloof vaak onder druk. Ook de leerlingen knappen af op een in zijn opzet mislukte Jezus. Het begint zelfs Jezus op de heupen te werken: ‘Hoe is het godsmogelijk, Filippus! Ik ben al zolang bij jullie; en blijkbaar kent je mij nog altijd niet?’. En dan - het klinkt bijna bezwerend – ‘Geloof Me toch: Ik ben in de Vader en de Vader is in mij. En als dàt je niet overtuigt, geloof dan op grond van wat ik al die jaren gedaan heb!’ Daar konden de leerlingen wel op terugvallen: op alles wat ze Jezus hadden zien doen. Dat had hen zo enthousiast gemaakt dat ze hem gevolgd waren, ook al was het hun nooit helemaal duidelijk geworden waar ze met hem zouden uitkomen. Voor ons is dat allemaal ver verleden tijd. Wij hebben Jezus niet aan het werk gezien. En toch geldt ook voor ons: God laat zich aan mensen kennen via mensen. Jazeker, velen proberen Jezus na te volgen; voor hen is hij de weg, de waarheid en het leven. Maar er zijn zoveel anderen die elkaar de duivel aandoen. Hoe kunnen we via hen God vinden? Sla de krant open: niet God regeert de wereld, maar haat en cynisme, geweld en egoïsme. Niet te verwonderen dat deze tijd geen boodschap heeft aan het geloof in God. Ons Godsgeloof wordt nòg erger op de proef gesteld door al diegenen die zichzelf christen noemen maar de weg van Jezus niet of ternauwernood gaan, of er niet enthousiast en meeslepend over durven of kunnen spreken. Luister maar naar de redenen waarom zovelen, jong en oud, zich van het geloof afkeren: teleurstelling over een Kerk die de taal van deze tijd niet spreekt, over priesters die liefde preken en tegelijk kinderen seksueel misbruiken, over kerkmensen die uitgeblust zijn, over kerkgangers waar niet de minste werfkracht van uitgaat... De geloofwaardigheid van hen die aan God concrete handen en voeten en een gezicht zouden moeten geven, is soms ver te zoeken... Zaten de leerlingen van destijds niet in hetzelfde schuitje? ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’, zei die mislukkeling op weg naar het kruis die zichzelf dan ook nog eens 'de weg, de waarheid en het leven' noemde. En toch zijn zij, op Judas na misschien, met vallen en opstaan die weg ten leven blijven gaan. Ook wij moeten het zien vol te houden met een Kerk die niet zo heilig is als ze zich noemt, die zich niet altijd en overal als een goede moeder gedraagt, met kerkmensen waaraan we ons soms ergeren. We mogen niet van God weglopen, ook al begrijpen we Hem lang niet altijd. We mogen niet weglopen van mensen, ook al stellen ze ons Godsgeloof op de proef. God laat zich aan mensen zien, via mensen - zegt Jezus. Er is geen andere weg om God op het spoor te komen. Die conclusie zou het einde kunnen zijn van het gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen-in-geloofscrisis. Maar zijn vrienden krijgen tot slot toch nog een paar adviezen mee:
Geloof krijgt vastere grond onder de voeten door het te doen, en door biddend je zaak te bepleiten bij God. Waar mensen zó hun geloof proberen te beleven, zijn ze naar God onderweg. Marc Christiaens o.p. (Schilde)
Inspiratiebron: |