|
|
|
|
| 27 maart 2011 -Derde vastenzondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Exodus
17,3-7
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Het verhaal van het evangelie zit vol verrassingen. Een vrouw die op het hete middaguur, onder de brandende zon, op haar eentje naar de bron komt om water te putten. Jezus die haar aanspreekt. Een Jood doet zoiets niet, een vreemde vrouw op een publieke plaats aanspreken. En nog wel een Samaritaanse. Rechtgeaarde Joden gaan niet om met Samaritanen. Hij doorbreekt maatschappelijke en religieuze grenzen. De vrouw wordt erdoor verrast, en ze zegt het ook. Vooral ook het gesprek dat zich tussen beiden ontspint zit vol verrassingen. En daar is het de evangelist om te doen. De vrouw werd verrast door Jezus' antwoord op haar verbaasde reactie: een Jood die haar drinkwater vraagt. 'Als u wist wie ik ben, zou u mij om water vragen. Wie drinkt van het water dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen.' Natuurlijk vraagt de vrouw: geef me alstublieft dat water. Hoe zouden we zelf zijn, nooit meer door dorst geplaagd worden! Maar ze had niet goed begrepen wat Jezus bedoelde. Hij geeft geen putwater, maar het levende water dat de gave van God is. Het water dat de diepste dorst van mensen naar het authentieke leven kan stillen. Dat geldt ook voor ons. Als we wisten wat God wil geven, zouden Hem om het water vragen dat in ons binnenste een bron wordt waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft. 'U bent een profeet' zegt de vrouw tegen Jezus als hij blijkt te weten dat ze al vijf mannen heeft versleten en dat de man die ze nu heeft haar echte man niet is. Ze begrijpt waar hij op doelt. Het gaat om de verering van de ware God, niet de valse goden die de Israëlieten achterna zijn gelopen. Ze geeft aan hun gesprek een totaal nieuwe wending dat de theologische toer opgaat. Vereren de Samaritanen dan niet de ware God? Moeten ze hun aloude gebedsplaats op de berg hier opgeven, is Jeruzalem de enige plaats waar de ware God kan vereerd en aanbeden worden? Jezus vindt het geen goede vraag. Dat doet er niet toe, zegt hij. U weet toch dat God Geest is, en ooit zullen we hem aanbidden in geest en waarheid, waar dan ook. We hebben daar geen heilige berg of geen tempel voor nodig, geen basiliek van Koekelberg. Geen berg of tempel, geen kerk, geen volk of religieuze groepering heeft het monopolie van zijn aanwezigheid. Kerken en tempels zijn nuttig, maar we kunnen ze missen. Als de Messias komt, zegt de vrouw, zal hij dat
allemaal duidelijk maken. En nu krijgt het verhaal zijn beslissende
omslag. Nog eerder en klaarder dan aan zijn apostelen openbaart Jezus haar
zijn ware identiteit. 'U bent hier met de Messias aan het spreken.' Het verhaal doet de vraag rijzen welke kruiken
christenen kunnen achterlaten als ze hun diepste dorst gestild weten. Christenen moeten zich kunnen bevrijden van zulke soorten dorst. De vastentijd is daarvoor de geschikte tijd. Wij weten wat God wil geven. Als we onze diepste dorst laten stillen, kunnen we veel kruiken missen. We hebben ze niet meer nodig. Dan wordt ons dorstig hart verzadigd met de Geest van de verrezen Christus. We worden zelf een bron van water dat eeuwig leven geeft en waarmee we ook de dorst van andere mensen kunnen lessen. J. Andersen Herwerkte versie van een eerdere preek (2008): http://preken.awardspace.com/aj3vasten.htm |