|
|
|
|
| 20 maart 2011 - Tweede vastenzondag |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Lezingen:
Genesis
12,1-4
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
Er is Jezus op die berg iets buitengewoons overkomen. Misschien was het dezelfde hoge berg waar hij terechtkwam toen hij aan het vasten was en hem door de duivel de hele wereld onder zijn voeten werd beloofd als hij voor hem op zijn knieën wilde vallen. Jezus heeft toen kordaat neen gezegd. Hij bleef trouw aan zijn roeping die hem duidelijk was geworden toen hij na Zijn onderdompeling in het doopwater van de Jordaanrivier naar boven kwam. Nu werden zijn ware identiteit en zijn opdracht als Gods geliefde zoon nog eens geopenbaard. Er kwam een wolk over hem en zijn gezellen. Of juister, dè wolk, de wolk die in de bijbelse beeldentaal de verhulde aanwezigheid van God is. De stem uit de wolk, Gods stem dus, noemde hem bij zijn echte naam en zei dat ze naar hem moesten luisteren. Jezus zei wel dat zijn leerlingen moesten zwijgen over wat ze gezien hadden, maar het blijft toch verwonderlijk dat ze het aan niemand hebben verteld. Spontaan zou je denken dat ze het overal als groot nieuws zouden uitgebazuind hebben. Maar ze hebben er lange tijd in alle talen over gezwegen. Was het omdat ze hun eigen ogen niet geloofden? Of vreesden ze zich met het verhaal belachelijk te maken? Kennelijk hebben ze er pas na Pasen over gesproken. Pas in het licht van Pasen hebben ze de volle betekenis gevat van hun piekervaring op de top van die berg. In die zin is het verhaal in het evangelie op dezelfde manier te begrijpen als de verhalen over de verschijningen van de verheerlijkte Christus nadat hij als mens was gestorven. De evangelisten hebben het opgetekend om hun lezers in te prenten hoe ze Jezus moesten zien en zijn woorden beluisteren: als de uitverkoren zoon van God, die door het lijden en de dood heen is moeten gaan om in de glorie van zijn Vader te delen. Er zijn predikanten die niet aarzelen het evangelie direct verbinden met de eucharistieviering waarin het wordt gelezen, in de trant van: 'vandaag nodigt Jezus ons uit om met hem de berg op te gaan'. Maar dat lijkt me veel te gewaagd. Is het niet veel te veel van de kerkgangers gevraagd elke eucharistieviering te beleven als een piekervaring? Piekervaringen zijn iets zeldzaams. Je kunt ook niet zeggen dat er in de viering een 'gedaanteverandering' van brood en wijn plaatsvindt. Het centrale gebeuren is wel dat de verheerlijkte Christus aanwezig komt, uit kracht van de gelovige handelingen die we stellen. Maar het is een geloof zonder te zien. Zichtbaar zijn alleen wat hostiebrood en een beetje wijn. Hoe sterk is ons geloof? Mijn geloof zou eigenlijk zo sterk moeten zijn dat iemand die me na een viering ziet buitenkomen spontaan zegt: 'je ziet er stralend uit', niet om me een compliment te maken maar omdat het hem echt opvalt. Ik zou antwoorden: 'Ja, zo voel ik me. Het moet zijn dat de vreugde die ik beleefd heb aan het gezamenlijk vieren van ons geloof nog afstraalt op mijn gezicht.' Gelovigen met stralende gezichten! Stralend vanwege de vreugde die ze telkens ervaren als ze samenkomen om hun geloof in gemeenschappelijk bidden en vieren met elkaar te delen. We mogen er zeker van zijn: gelovigen met stralende gezichten kunnen een niet te miskennen wervingskracht uitoefenen. Is dat geen mooie gebedsintentie: dat het ons mag lukken op zo'n manier ons geloof tot leven te brengen dat ons gezicht ervan straalt? B.J De Clercq o.p. |